foodFIRST for Thought

Vijverbergsessie: Voedselzekerheid; wat werkt?

© 2013-04-03 | Karlijn Muiderman

De zeven conferenties van de FoodFirst-Floriade cyclus over voedsel en landbouw hebben een rijkdom aan visies opgeleverd . Om deze te verwerken in beleidsaanbevelingen worden in de nieuwe serie Vijverbergsessies de centrale inzichten voorgelegd aan deskundigen.
Op 12 december zijn de uitkomsten vergeleken met de lessen uit het IOB rapport over beleidsinterventies ter verhoging van de voedselproductie en ter bevordering van mondiale voedselzekerheid. Meer toegespitst, stond centraal de vraag:
Hoe kun je regionale (stad-platteland) voedselsystemen beter laten werken?

Jos van Gennip opende de Vijverbergsessie met een terugblik op de FoodFirst -Floriade conferenties in Venlo. Deze conferenties stonden in het teken van de vernieuwing van het Internationale Samenwerkingsbeleid. Inhoudelijk ging het over voedselzekerheid, landbouw, boeren; en over honger, over voldoende en goed voedsel. En het ging over de â??gouden vierhoekâ??; vierhoek, ja, want voor succesvol beleid kan de klassieke â??gouden driehoekâ?? van overheid, bedrijfsleven en universiteit, niet zonder de maatschappelijke organisaties. Het succes van de Floriade cyclus kreeg weerklank in een nominatie voor de 50-jaar-GLB prijs, een EU prijs voor initiatieven die landbouwvraagstukken onder de aandacht van het publiek brengen. Van Gennip uitte zijn genoegen over het feit dat landbouw weer terug is op de IS agenda.

Dat komt ook mooi tot uitdrukking in het IOB rapport. Dit rapport gaat in op vragen als: moeten we focussen op de markt om meerwaarde te creëren? Of juist op de overheid? Moeten we de grote of kleine producenten stimuleren? Van Gennip herhaalt dat het gaat over het vormgeven van beleid van elk van de vier sectoren, in hun samenhang: overheid, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en private sector.

Ruerd Ruben, directeur van het IOB
Het IOB publiceerde begin dit jaar het rapport Verbeteren van Voedselzekerheid: Een systematische overzichtsstudie naar de doeltreffendheid van de ondersteuning aan landbouwproductie, waardeketens, marktregulering en landrechten. Hiervoor werden 38 casestudies en 46 andere overzichtsstudies geraadpleegd. Kort gezegd kan uit deze studie worden afgeleid dat productie-verhogende interventies goed scoorden op de resultaatscriteria, behalve op duurzaamheid; dat verbetering van landrechten eveneens goed scoort; dat waardeketenontwikkeling redelijk scoort (maar er slecht in slaagt de meest kwetsbaren te bereiken); en dat hervorming van marktregulering matige resultaten oplevert.

Ruben geeft een korte toelichting op achtergronden en uitkomsten van het onderzoek.
Een decennium geleden ging niet meer dan 4% van het OS budget naar de landbouwsector. Intussen is vanwege de aandacht voor voedselzekerheid het budget weer uitgebreid. Het IOB wilde aan de hand van een systematische overzichtsstudie bepalen wat werkt in voedselzekerheid en wat niet, en beleidsgerichte adviezen voorleggen : welke interventie en instrumenten zijn nodig en waar kan de overheid veilig haar beleid op inzetten? Voedselzekerheid is een complex onderwerp. In Afrika is bijvoorbeeld de voedselproductie toegenomen, maar deze verhoging zorgt lang niet altijd voor goede voeding voor de bevolking. Dit geeft aan dat andere factoren meegenomen moeten worden dan enkel productieverhoging. Met name goede voeding is een belangrijk onderwerp geworden voor de overheid. Het is tevens een leidend criterium in het advies van het IOB naar de overheid. De overige donoren volgen ook deze lijn.

In een vogelvlucht schetste Ruben de keuzes waar de overheid voor staat: beleid gericht op verhoging van de productie, op hervormingen, landrechten, de stad of het platteland, en landbouw in de brede zin, of goede voeding? De IOB zocht bewijzen dat de verschillende vormen van beleidsinterventies effect hebben gehad op ontwikkeling. De indicatoren waren voeding voor kinderen, kindersterfte, energie-inname van de bevolking, het percentage van de bevolking onder de armoedegrens, het percentage huishoudens dat voedsel -onzeker is, minimum loon vergeleken met voedselprijzen, en voedselvoorraad. Dit werd aangevuld met een studie naar de validiteit van internationale studies in de afgelopen 50 jaar. Het IOB keek of er een with-without comparison was gedaan (een vergelijking van de bijdrage van het eindresultaat ten opzichte van wanneer de interventie niet was gedaan) en een panel studie. Slechts 38 casestudies van de 1369 bleken harde bewijzen te bevatten. Het IOB kwam tot de conclusie dat er al veel onderzoek gedaan is, maar er nog relatief weinig overtuigende kennis is over wat resultaat oplevert. Wel is duidelijk dat voedselzekerheid bereikt wordt door voldoende goede voeding voor het gezin te bieden. Hier moet het beleid dus op inzetten.

Om waarde te vermeerderen zijn vier strategieën mogelijk:
1) investering in productieverbetering (dit had in Azië veel effect);
2) reductie van verliezen (tijdens productie, door ziekte en plagen, dit is vooral effectief in Afrika);
3) de kosten van productie onder controle houden en grotere oogsten (met name in Azië succes);
4) het voedsel toegankelijker maken voor de consument.
De uitdagingen zijn dus per regio verschillend, wat voedselzekerheid een complex beleidsissue maakt. Met name in Afrika variëren de resultaten per gebied, tevens is daar minder onderzoek gedaan. Dan zijn er ook nog gevoelige onderwerpen als onderzoek naar genetisch gemodificeerd voedsel, of arbeid verminderende interventies. Het verhogen van de waardeketen van productie heeft positieve aspecten, maar deze vorm is vaak op de export gericht en de waardevermeerdering vindt veelal plaats in het topsegment van de markt. Bovendien maakte Ruben de kanttekening dat vooral de private sector het goed doet in het documenteren en zichtbaar maken van de successen. De onderkant van de lokale productie blijft echter moeilijk inzichtelijk te maken.

Hier tegenover staat de hervorming van de markt: de resultaten kennen we goed maar zijn niet overwegend positief, aldus Ruben. Markthervormingen blijken weinig te doen voor armoedereductie en de verbetering van de lokale voedselvoorziening, maar vooral successen te boeken in de vorm van export van commodities. Betere resultaten worden dan gehaald wanneer de overheid stapsgewijs terugtreedt en nieuwe instituties worden opgebouwd gericht op de lokale producenten zoals in Burkina Faso, of de private handel zoals in Bangladesh. In Bangladesh zorgde de private sector voor voedselbevoorrading na de overstroming. Landrechten en huurzekerheid zijn onderdeel van economische hervormingen. Dit heeft succes gehad in China en Vietnam, maar vereist is wel dat voldoende financiële middelen beschikbaar zijn om te investeren in hervormingen. In Sub Sahara Afrika gelden andere eigendomsrechten wat de investeringseffecten moeilijk inzichtelijk maakt en dus complexer.

Slechts voor een beperkt aantal beleidsmaatregelen waren de bruto kosten inzichtelijk gemaakt in de studies: de eenmalige kosten ten opzichte van de baten. Deze gegevens zijn nodig voor een goed inzicht in welk beleid snel succes levert. Een voorbeeld is het investeren in het ziekteresistent maken van cassave: dit levert snel een grotere oogst op en kost weinig. Voor koffie geldt hetzelfde. Investeren in irrigatie is duurder, maar ook hierbij zijn de kosten er in een jaar of acht eruit. Investeren in melkproductie is een stuk minder winstgevend, hetzelfde geld voor kunstmest. Gedetailleerde informatie en grafieken zijn te vinden in het IOB rapport.

Hard bewijs is schaars en per situatie verschillend. Daarom adviseert Ruben om te kijken naar welke successen per gebied behaald moeten worden en hier de interventie en coördinatie op aan te passen. Vanuit de consument geredeneerd moet de koopkracht omhoog gaan, vanuit de producent geredeneerd moet de opbrengst per hectare omhoog. Dus waar gaan we in investeren? In betere input voor de markt, of in verbetering van de infrastructuur om de kosten omlaag te krijgen? Gaan we investeren in landbouw dicht bij de stad waar de meeste mensen wonen of juist in de rurale gebieden? Deze laatste vraag is belangrijk, want dichtbij de stad is land het duurst, dus een beperkende factor.

In de discussie naar aanleiding van de presentatie kwam het volgende aan de orde.
Allereerst de vraag of de gegevens van Azië van na de Groene Revolutie zijn. Het gaat hier om data vanaf de jaren tachtig.
Wat betreft de consument bleek dat diens kennis over goede voeding en de gevolgen voor diens voedselzekerheid niet als indicator zijn meegenomen.
De impact die export heeft op de lokale voedselproductie; de inkomsten hiervan komen wel terug in de lokale economie, maar omdat voedsel kopen duurder is dan voedsel produceren moeten de inkomenseffecten niet te hoog worden ingeschat.

Deze inleiding vormde de opmaat voor een debat over de vraag: Wat werkt in voedselzekerheid? En, meer toegespitst: Hoe kunnen we regionale voedsel-en landbouwsystemen de handel tussen stad-platteland beter laten werken? Het debat werd gevoerd in twee rondes, met als onderwerp voor de eerste ronde boerengezinsbedrijven en urbane voedselzekerheid.
Joost Oorthuizen van IDH en Madelon Meijer van Oxfam Novib lichtten eerst afzonderlijk hun stelling toe.

Oorthuizen: het Initiatief Duurzame Handel (IDH) werkt met 16 commodity ketens waaronder cacao, katoen en soja. Hij ziet een enorm groeipotentieel voor Afrika. Grote bedrijven zijn geïnteresseerd in de productie van uiteenlopende goederen als rubber, biobrandstoffen, thee en rijst, zowel plantage als smallholders landbouw. De kracht van agribusiness is volgens hem de schaal: â??Ze denken in termen van: we hebben twee miljoen cacaoboeren, een deel moet wat anders gaan doen en de rest moet intensiever werken met meer efficiency en costeffectiveness.â?? Hij legde dit uit aan de hand van wat voorbeelden. De eerste experimenten die IDH met NGOs ontwikkelden, kostten $300 per boer. Met een katoenproject in Pakistan konden we na hard onderhandelen tussen NGOâ??s en IKEA de kosten van $170 naar $50 per boer terugbrengen. Het kan dus vier keer zo groot en zes keer zo goedkoop. En in Ivoorkust wordt er 150 dollar geïnvesteerd per boer in een driejarig contract (de kosten zijn vooral voorlichting). De agribusiness is dus serieus geïnteresseerd om te investeren in de ketens, want op de langere termijn wordt de productie omhoog gebracht en neemt de winst toe. Daarom bepleitte hij het creëren van een markt waarin kleine boeren participeren. De uitdaging ligt volgens Oorthuizen in de organisatie eromheen. Uit een studie van GAIN Health bleek dat 55% van de kinderen in de cacaogebieden ondervoed is. Dus hoe ontwikkel je met de cacaoboeren een manier om ook te produceren voor goede voeding? Kunnen bijvoorbeeld groetentuinen een succes worden?

Madelon Meijer van Oxfam Novib werkt aan de Grow campagne. Zij pleitte voor het investeren in kleinschalige familielandbouw omdat juist deze kleine boeren door internationaal beleid ondermijnd worden. Ze gaf een voorbeeld van de hoeveelheid land die gebruikt wordt voor biobrandstoffen; het dramatische beleid van de EU dienaangaande gaat ten koste van voedselzekerheid. De markt zorgt niet goed voor publieke goederen en daarom moet de overheid dit doen. Maar die is niet efficiënt en behartigt niet perse de belangen van de bevolking. Daarom zijn de beleidsprocessen belangrijk: wie maakt de keuzes en in wiens belang is het? Het landbouwareaal wordt oneerlijk verdeeld, of te zwaar belast. Bovendien worden alleen de successen gecommuniceerd, zoals in Mozambique waar de productie omhoog ging terwijl de pesticiden het milieu en de volksgezondheid hebben aangetast. Voor een eerlijke communicatie en beleid gericht op voedselzekerheid voor de bevolking moet de civil society geconsulteerd worden, in een samenwerking tussen het platteland en de stad. Zoals in Peru, waar het belang van kleinschalige familielandbouw wel is genoemd in het beleid.

In de discussie werd gesteld dat publiek en privaat niet meer lijnrecht tegenover elkaar staan. Heineken, bijvoorbeeld, investeert in preventie van HIV/Aids om werknemers om aan het werk te houden. Bedrijven moeten voor hun boeren-toeleveranciers en hun kinderen zorgen zodat die het boerenbedrijf over kunnen nemen. Deze zorg is steeds meer een core business geworden, waarover toekomstige private partners voorlichting moeten krijgen. Wel moet bedacht worden dat het lastig blijft om deze zorg te integreren in de bedrijfsplannen. Grote bedrijven als Heineken en Unilever hebben wat dat betreft meer mogelijkheden. Het is bovendien sectorspecifiek hoeveel je voor elkaar kunt krijgen. Ten aanzien van de verantwoordelijkheid van de overheid is er een grote rol voor de overheid weggelegd waar het gaat om randvoorwaarden voor de primaire productie (grondgebonden aspecten als landrechten, toegang tot water, infrastructuur, wisselwerking tussen natuur/milieu en productie e.d.) en een veel bescheidener rol waar het gaat om het reguleren van agromarkten en handel. De vraag is niet of we zwaarder moeten inzetten op "meer publiek" of "meer privaat". De uitdaging is om het bevorderen van goed functionerende markten en om efficiënte handelsketens veel directer te koppelen aan inspanningen die gericht zijn op primaire productie in het landelijk gebied en te zorgen voor de daarvoor noodzakelijke kennisinfrastructuur en versterking van de positie van boeren. Er is een enorme betrokkenheid van bedrijven in de keten om met boeren aan de slag te gaan terwijl dat eerder niet tot hun kerntaak gerekend werd. Er zijn ook veel projecten gericht op het versterken van productie of de positie van boeren, zonder dat daarbij voldoende duidelijk is wat de marktperspectieven zijn. De Nederlandse inspanningen moeten de koppeling gaan leggen tussen de inzet op ketens en de inzet op landbouw/ruraal.

Weinig studies kijken naar kosteneffectiviteit, waar het geld terecht komt en de heersende machtsverhoudingen. Maar anderzijds zorgen juist de bedrijven in de agribusiness voor meer transparantie omdat ze willen weten wat de kosten zijn en wat het oplevert. Belangenbehartiging en organisatie van producenten kost weliswaar veel geld, maar dat is een investering, met name om boeren te helpen zich te verbinden aan en staande te houden in de markt; zie het Calivoorbeeld waar producentenorganisaties contracten sluiten met supermarkten. Deze investeringen moeten over lange periode gedaan worden.

Hierna ging de tweede debatronde in met als onderwerp Push & pull; vanuit de productie of vanuit de markt? Prem Bindraban en Gerdien Meijerink verzorgden de inleidingen.

Prem Bindraban van Wageningen UR begon met de vraag: â??Waaraan we gaan trekken, en in welke richting, en in welke richting duwen we?â?? Ideaal is het natuurlijk als de push en de pull dezelfde richting opgaan. Vaak is dat niet het geval. Voedselzekerheid vraagt om bulkgewassen (maïs, bijvoorbeeld), maar de pull in de landbouw komt vaak van high value producten. Die pull leidt tot uitbreiding van het landbouw areaal en niet tot het efficiënter benutten van land maar ook water of andere inputs. Maar inefficiëntie kunnen we ons niet veroorloven, we moeten het systeem in de richting van meer productie en meer efficiëntie duwen.
Kunstmest moet en kan ecologisch verantwoord worden toegepast; in Afrika is hier nog een grote slag te maken door verhoging van het gebruik om bodemverarming tegen te gaan. Maar in China is het gebruik juist overvloedig en creëert milieuproblemen. Het gaat hier ook niet om klein of grootschaligheid, maar om de ecologische processen, en die zijn voor elk schaalniveau hetzelfde â?? economies of scale is geen â??mustâ?? als het gaat om de ecologische dimensie.
Planten zetten zonlicht en CO2 samen met nutriënten om in biomassa, en hebben water nodig met name voor verdamping en deze processen moet je zo goed mogelijk op elkaar afstemmen. Om met die basis processen goed rekening te kunnen houden, heb je ecologische kennis nodig. Dat is niet hetzelfde als â??biologischâ?? produceren. Met biologische landbouw kan je niet genoeg produceren om voedselzekerheid voor iedereen te bereiken. Impact bereik je door het ecologisch verantwoord toedienen van de juiste voedingsstoffen, water en beschermingsmiddelen en door zaadveredeling. Dit houdt in dat met onderlinge afstemming tussen belangengroepen er veel winst te behalen is met bestaande kennis.
Voort blijft het van groot belang om fundamentele kennis te blijven ontwikkelen â?? veelal betaald door publieke middelen â?? om noodzakelijke sprongen in ontwikkelingen te kunnen maken. Landbouw en voedselproductie is een lange termijn proces en behoeft continue aandacht en sturing.


Gerdien Meijerink van het LEI, Wageningen UR, richtte zich op de rol van de markt in voedselsystemen. De markt kan problemen van goede toegang tot voedsel niet oplossen maar is wel goed in het vaststellen van de prijs en de allocatie van schaarse hulpbronnen. In veel ontwikkelingslanden werkt de markt minder goed, met als gevolg overschotten, afgewisseld met tekort, en prijsverschillen. Volgens Meijerink zijn duurzame ketenontwikkelingen nodig en het stimulering van duurzame markten. Ze vroeg aandacht voor de rol van tussenhandelaren waarvoor het huidige beleid vaak een blinde vlek heeft of die zelfs weggezet worden als woekeraars en uitbuiters. Hierdoor lijkt het alsof alles wat boeren produceren vanzelf bij de markt terecht komt. De Wereldbank rapporteerde â??Afrika can feed Africaâ?? â?? ja, maar alleen als regionale handelsbarrières worden opgeheven, handelaren zich via goede wegen kunnen verplaatsen gaan, er minder wachttijd bij grenzen zijn, de belastingsystemen op orde zijn en er een einde komt aan mishandelingen. Handelaren zorgen ervoor dat producten op tijd bij de consument komen, bijvoorbeeld. Zolang we niet meer weten over de handelaren of hen actief betrekken, zullen woorden als voedselzekerheid en marktontwikkeling abstract blijven. Bij het ontwikkelen van de markt hoort daarom ook investeren in handelaren.
Een opmerking naar aanleiding van deze inleiding. Alle schakels van de keten dragen bij aan de prijs dus moeten we de hele keten bekijken en ook milieu en sociale kosten integreren. Ook de ecologische kosten moeten in de prijs verwerkt worden. De vraag wel is hoeveel zin dit heeft als de lobby tegen ecologie zo sterk is. Neem bijvoorbeeld de boswet in Brazilië die onder druk van een sterke lobby verruimd en afgezwakt is waardoor de boskap weer enorm is toegenomen. Je moet de economie niet verheerlijken; het gaat om het duurzamer maken van de economie. Bovendien moet er gekeken worden hoe je na intensivering van de landbouw mensen toch aan het werk houdt.

Als laatste onderdeel werd er een plenair debat gehouden. Werkt dat wat werkte nog steeds?
De krachten en internationale verhoudingen zijn nu van een andere orde dan vroeger. Landen als India en China werken aan grootschalige land acquisities in o.a. Afrika ten behoeve van voedsel voor de eigen bevolking. We kijken teveel naar Afrika terwijl de oorzaken in Azië liggen. De geopolitieke dimensie is steeds dominanter geworden. Eigenlijk moeten we met China en India om de tafel gaan zitten.
Dan is er de uitdaging van urbanisatie. Driekwart van de wereldbevolking woont straks in de steden. Daarom moet het beleid erop gericht zijn de stedelijke bevolking te eten te geven, daar ligt de eerste prioriteit. Maar anderzijds is de armoede op het platteland het hoogst. Het gaat juist om het verbinden van deze twee werelden.
Economie en ecologie staan op een kruispunt, zie bij voorbeeld de berekening van de echte prijs van een product, dus inclusief de ecologische en sociale kosten. Puma berekende dat zij jaarlijks 145 miljoen aan ecologische kosten maakt. De consument zou deze kosten extra moeten betalen om de schade aan milieu en maatschappij op te vangen. Maar de 300 miljoen winst die Puma jaarlijks maakt moet wel in stand blijven. Dus als ze dit bij consument verhalen, hoe moet Puma dit dan aanpakken? Dat kan door de keten te verduurzamen, en Puma zou dat zelf kunnen doen. Deze externe kosten zitten veel in het begin van de keten, in de landbouw. Bedrijven als Unilever pakken het op deze manier aan. De consument heeft macht en consumentenorganisaties moeten ervoor zorgen dat de verduurzaming doorgevoerd wordt.
Wat overeind blijft, is dat de overheid vooral een taak heeft bij het scheppen van goede randvoorwaarden voor de primaire productie. Verderop in de keten neemt de rol van de markt toe. Marktpartijen zijn meer dan voorheen ook bereid om verantwoordelijk te investeren. Veel geld wordt gestopt in het stimuleren van productie, zonder oog voor de markt laat staan voor de tussenhandelaar. Het gaat dus niet om meer markt, of meer overheid, maar om deze twee activiteiten te verbinden. Een goed voorbeeld zijn de agrohubs van AgriProFocus, waarbij ownership en organisatie centraal staat en aan de onderkant georganiseerd wordt.
Over consumentenmacht, zie Puma, Unilever. Cacaobedrijven doen serieuze investeringen in verduurzaming omdat het consumentengedrag daarom vraagt. Maar bij soja lukt dat niet.

Ter afsluiting ging Ruerd Ruben in op de vraag hoe we regionale voedsel-/landbouwsystemen stad-platteland beter kunnen laten werken. Alleen produceren van meer voedsel geeft geen zekerheid dat het leidt tot minder honger en armoede op het platteland. Langdurige honger heeft blijvende effecten, zelfs over een generatie heen. Schaars OS geld moet mensen productief op de arbeidsmarkt zetten en daarmee zelfredzaamheid creëren, duurzame effecten. Wij hebben geen zeggenschap over de overhedenbeleid in de landen die wij steunen.. Ethiopië is een goed voorbeeld waar de overheid zwak is maar het land het best goed doet. Dit toont aan dat goede instituties belangrijk zijn â?? het hoeven niet altijd perfect democratisch te zijn, maar ze moeten wel werken. Hierbij sluit aan de efficiency/equity discussie: hoe wordt waardevermeerdering verdeeld? Wat is de rol van de donor; welke instrumenten worden ingezet? De conclusie is dat we moeten samenwerken, tussen landen, in een dubbele gouden vierhoek, waarbij we slimme allianties maken, want aan problemen zitten altijd meerdere kanten. We moeten denken aan mix van activiteiten en in welke volgorde ze nuttig zijn. Het Nederlandse beleid zit zichzelf hierbij in de weg, de start van duizenden nieuwe projecten heeft tot versnippering van onze inzet geleid. Daarom moeten we beginnen met de keten van partners te identificeren.

foodFIRST for thought

Opinions and verbatim reports of the foodFIRST activities

Vijverbergsession 2 December: A policy paradigm for rural development cooperation in Africa
22-12-2015 | Hans Groen

Vijverbergsession 21 October 2015: Private sector-led greening of agriculture in Africa
15-12-2015 | Hans Groen

Vijverbergsession 3 December 2014, Van smallholders tot ondernemers
19-01-2015 | Marijke van Hooijdonk

Vijverbergsession 10 September 2014: Family Farming and Financial Services
01-12-2014 | Marieke De Sonnaville

Vijverbergsessie 5 maart 2014: De watervoetafdruk van agrarische producten
11-09-2014 | Hans Groen

Vijverbergsessie 7 mei 2014, Het Dutch Good Growth Fund
11-09-2014 | Hans Groen

Vijverbergsession 2 juli 2014: De rol van regionale markten voor voedselzekerheid in Afrika
12-08-2014 | Marieke De Sonnaville

Vijverbergsession 2 april 2014: The oceans as a food source; towards sustainable governance
15-05-2014 | Hans Groen

Vijverbergsessie 16 oktober 2013: De nexus tussen water, energie en voedselzekerheid
26-03-2014 | Hans Groen

Stadslandbouw: bonestaken tussen de flats of voetballende kinderen?*
11-03-2014 | Hans Groen

Vijverbergsessie 11 december 2013: Boerengezinsbedrijven en de onderzoeksagenda voedselzekerheid
10-03-2014 | FoodFIRST Editors

Vijverbergsessie 15 januari 2014 Voedselverspilling in de keten
13-02-2014 | Hans Groen

Vijverbergsessie 6 november 2013: Governance van oceanen als mondiale publieke goederen -- De pelagische visserij als casus
13-02-2014 | FoodFIRST Editors

Vijverbergsessie 25 september 2013: Food security and nutrition security
17-12-2013 | Hans Groen

Vijverbergsessie 22 mei 2013: Water en voedselzekerheid
06-08-2013 | Hans Groen

Vijverbergsessie 20 maart 2013: Coöperaties en Landbouwontwikkeling
17-06-2013 | Hans Groen

Vijverbergsessie 17 april 2013: Cultuur, Religie en Voedsel
14-06-2013 | Hans Groen

Vijverbergsessie: Voedselzekerheid; wat werkt?
03-04-2013 | Karlijn Muiderman

Vijverbergsessie: De Lessen van Venlo
26-03-2013 | Femmy Bakker-de Jong

Urban Agriculture
16-10-2012 | Karlijn Muiderman

The Business of Food and Nutrition Security
16-10-2012 | Karlijn Muiderman

FoodFirst in Practice
27-09-2012 | Wim Peeters

19 June 2012: Investing in Food Security & Food Markets in Africa
21-08-2012 | Hans Groen

29 May 2012: Breaking the hunger cycle in Africa
21-08-2012 | Hans Groen

8 May 2012: Food and Sustainability: Please, enjoy your steak
14-05-2012 | Hans Groen

24 April 2012: Cooperatives and Development
14-05-2012 | Hans Groen

15 March 2012: VoedselZaken over grenzen heen
23-03-2012 | Hans Groen

Landbouw en handelsliberalisering, GLB en WTO Vijverbergsessie 16 januari 2012
26-01-2012 | Hans Groen

Food and Geopolitics, Vijverberg session 21 november 2011
26-01-2012 | Hans Groen

Pastoralism, Vijverberg session 9 June 2011
12-12-2011 | Hans Groen

Workshop Pastoralism, Ministry EL&I 29 September 2011
06-10-2011 | Hans Groen

Voedsel brengt geopolitiek terug in platte wereld
05-10-2011 | Cor van Beuningen