foodFIRST for Thought

Vijverbergsessie 11 december 2013: Boerengezinsbedrijven en de onderzoeksagenda voedselzekerheid

© 2014-03-10 | FoodFIRST Editors

Hoe kunnen we beter grip krijgen op de toekomst van de voedselvoorziening? We streven ernaar in de ontwikkelingslanden een voedselagenda op te zetten die alles te maken heeft met de landbouw maar ook met de mensen op het land. Er is toenemende aandacht voor de groep mensen die voornamelijk voor zichzelf produceert en weinig voor de markt. Hoe kunnen we de boeren familiebedrijven stimuleren om zich te ontwikkelen tot producenten voor de lokale en mondiale markt? Wat kan onderzoek bijdragen aan voedselzekerheid in Afrika, Azië en Zuid-Amerika?

Verslag door Frans Verberne, Edith van Walsum, Stieneke Oenema en Hans Groen.

Frans Verberne, Food & Business Knowledge Platform

2014 is het International Year of Family Farming (IYFF). Wereldwijd is het gezinsbedrijf het meest voorkomende bedrijfsmodel in de landbouw, zowel in de ontwikkelingslanden, de opkomende economieën, als in Europa. Family farming heeft nu al veel betekenis voor voedselzekerheid, werkgelegenheid, duurzaamheid, sociale en culturele aspecten. Tegelijk wordt naar deze bedrijven gekeken als het gaat om de productie van voedsel voor 9 miljard in 2050. De lat ligt daarmee hoog voor family farmers, die wereldwijd flink onder druk staan door lage inkomens, gevoelig zijn voor externe ontwikkelingen, verlies maken, in armoede verkeren.

De centrale vraag voor deze Vijverbergsessie is hoe je met kennis familiebedrijven kunt ondersteunen. Het gaat dus vandaag niet over nut en noodzaak van familiebedrijven, maar over hun kennisbehoefte. Ligt er al voldoende op de plank dat meteen gebruikt kan worden of is er sprake van een kennistekort? De kansen voor familiebedrijven hangen af van de lokale context, de fysieke omstandigheden, het beleid, de toegang tot land, markt, financiering, technologie en opleiding. Die context verschilt per regio en per land wat het lastiger maakt om scherpe kennisvragen te formuleren. Toch zou het mooi zijn als we met een aantal kennisvragen straks naar huis gaan. De discussie kan ook helpen activiteiten in 2014 te organiseren. In Nederland lijkt family farming niet hoog op de agenda te staan.

â??IFAD believes that smallholder and family farmers can and should be at the forefront of the transformation of world agriculture.â?? wordt door het merendeel van de deelnemers onderschreven.

Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft vijf kennis platforms ingesteld, waaronder het â??Food & Business Knowledge Platformâ??. De doelstelling van dit Platform is de relevantie en het effectief gebruik van Nederlandse, internationale en lokale kennis en onderzoekscapaciteit voor voedselzekerheid te versterken. Veel kennis is gefragmenteerd en stroomlijnen van en focus aanbrengen in de kennissystemen is zeer gewenst. Verbeterd kennis management op het terrein van food & nutrition security moet het beleid in Nederland en daarbuiten (waaronder de partnerlanden) versterken. Een specifiek doel is het bevorderen van onderzoek en kennis ten behoeve van Nederlandse en lokale ondernemers, handelaars en investeerders.
Het Platform richt zich op de ondersteuning van bestaande netwerken, met de idee dat er al heel veel kennis is, maar dat die verder verspreid en gedeeld moet worden t.b.v. praktijk en beleid.

Het Platform brengt netwerken en organisaties uit het bedrijfsleven, maatschappelijk middenveld, wetenschap, onderwijs en overhead samen. Netwerken van lokaal tot mondiaal niveau worden uitgenodigd om te participeren in het Platform om kennis te genereren waarmee meer inzicht verkregen wordt in voedselsystemen en de kennisvragen voor de toekomst.



De â??Officeâ?? â?? het secretariaat van het Platform â?? zal onder meer werken aan vraagidentificatie en â??articulatie, het opstellen van een kennisagenda, verdiepen van kennis, verspreiden van kennis en verbinden van praktijk en beleid. Een van de verantwoordelijkheden van de Regiegroep is het benoemen van de scope van de onderzoekfondsen die worden beheerd door NWO-WOTRO: het Global Challenge Programme en het Applied Research Fund (zie voor meer informatie www.nwo.nl/en/research-and-results/programmes/food+&;+business+research )

Edith van Walsum, Director of ILEIA, the Centre for learning on sustainable agriculture

Opvallend is dat de â??buzzâ?? rond family farming elders veel sterker is dan in Nederland. Wat verstaan we precies onder family farming? Family farming is een breed begrip. Wereldwijd zijn er circa 500 miljoen familiebedrijven in de landbouw. Dit kunnen kleine en grotere bedrijven zijn, maar ook inheemse gemeenschappen, pastoralisten en vissers worden in brede zin als family farmers gezien. Het begrip heeft een andere lading dan â??agri-businessâ?? en â??entrepreneurshipâ??. Veel, maar niet alle familiebedrijven, zijn smallholders. Family farmers zijn ondernemers maar laten zich in hun keuzes door veel meer dan alleen geld leiden. Ze kenmerken zich door een eigen multifunctionele logica die goed samengaat met kleinschaligheid maar dat niet hoeft te zijn. Omgekeerd zijn er ook smallholders die een aantal family farming kenmerken in mindere mate bezitten (bijv. focus op een een enkele cash crop in plaats van op multifunctionele landbouw).

De 500 miljoen familyfarms in de wereld hebben een deel van de oplossing van voedselzekerheid in handen want met elkaar dragen zij zorg voor 70% van de wereldvoedselvoorziening (FAO). 80% van het voedsel in SubSahara-Afrika en Azië komt van family farms. En in Brazilië is 60% van de productie afkomstig van familyfarms op 20% van de (beschikbare) landbouwgronden. Family farmers zijn wel degelijk efficiënte producenten, vaak in omstandigheden die verre van ideaal zijn.

Daar staat tegenover dat 70% van de bevolking die voedselonzekerheid kent, leeft in de landelijke gebieden van Afrika, Azië en Latijns Amerika. Dit zijn in veel gevallen kleine en marginale family farmers. In veel Afrikaanse landen verkoopt minder dan de helft van de family farmers stapelproducten op de markt.[1] De family farmers moeten eerst zichzelf met de eigen oogst voeden. Zij zijn in eerste instantie gebaat bij verbetering van hun productie en verbetering van lokale informele markten en infrastructuur. De verwachting is dat in de voorzienbare toekomst minder dan 10% van de kleine producenten aan de mondiale waarde keten zal deelnemen.[2]

Familiebedrijven kun je globaal in drie categorien indelen: een relatief kleine groep (minder dan 10%) produceert voor de wereldmarkt, een grote middengroep is actief is op informele lokale en regionale markten en neemt om diverse redenen (bijv. risicoâ??s i.v.m. prijsfluctuatie, gebrek aan flexibiliteit, stricte kwaliteitseisen) niet aan formele markten deel, en er is een groep die voornamelijk voor eigen consumptie produceert.
Als je toegang tot markten en aanwezigheid van natuurlijke bronnen tegen elkaar afzet, zie je een groep bedrijven, veelal de grote bedrijven, maar ook familie bedrijven die aan de positieve kant zitten (A), en die heel onvoordelig zitten (C), met een grote groep kleinere bedrijven die daar tussenin zitten (B).[3] Een deel van de C categorie behoeft vangnetten en zal vroeger of later verdwijnen. In totaal zit 10% in een perspectiefvol marktsegment, 90% niet. Elke groep heeft zijn eigen mogelijkheden en beperkingen en vraagt dus om een eigen beleid. Inzetten op de grote middencategorie en hen steunen daar waar hun kracht ligt, is van groot belang; family farmers in deze categorie hebben een enorm potentieel dat vaak involdoende onderkend wordt.

Wat zijn nu de kenmerkende eigenschappen van Family farming? Family farmers kunnen met een tiental kenmerken gekarakteriseerd worden (zie figuur). Zij zijn zelfstandig, beschikken over hun eigen land en natuurlijke hulpbronnen; controleren hun eigen arbeid; hebben een sterke band tussen familie en bedrijf; zorgen voor hun eigen voedselvoorziening en inkomen (maar dat is niet altijd voldoende); gaan voor continuïteit, en dus voor een duurzame relatie met hun omgeving (anders dan commerciële bedrijven die van concessie naar concessie gaan); zijn een leerplaats waar kennis gedeeld wordt tussen generaties en met de gemeenschap; nemen actief deel van de lokale economie; houden de lokale cultuur levend; maken deel uit van het rurale landschap en dragen dus bij aan landschappelijke waarde. Family farming staat voor een coherent geheel van waarden die het fundament vormen voor voedselzekerheid en duurzame productie.

Deze kwaliteiten van family farms en hun belang voor duurzame voedselsystemen staan centraal in het International Year of Family Farming. De kennisvraag die we ons moeten stellen is: hoe kunnen we family farmers actief ondersteunen om in hun eigen kracht te staan en om hun kwaliteiten optimaal in te zetten?



Source: J.D. van der Ploeg, in Farming Matters 29.4 (December 2013).

Een veelgehoorde visie over kleinschalige familiebedrijven is: â??Up or Outâ??. Doorontwikkelen naar sterkere en grotere bedrijven of eruit stappen en naar de stad gaan. Een andere visie idealiseert family farming en stelt dat zij DE toekomst zijn. Is het zo simpel, alleen die twee visies? Of is er een derde weg? Multifunctionele family farms vormen de basis van de piramide van boerenbedrijven en je moet ervoor zorgen dat die basis gezond blijft. Bovendien zit de stad niet op uitgetreden boeren te wachten. Family farms zijn complexe bedrijfssystemen die verschillende dingen produceren (zie de tien rondjes). Ze hebben kennis van de omgeving, houden biodiversiteit en landschap in stand en kunnen maat-oplossingen aangeven. Dat is belangrijk voor de kennisagenda.

Vraag: Wat is de impact van demografische ontwikkelingen op family farms? Het aantal family farms neemt wereldwijd toe en er treedt een sterke vergrijzing op. Een nieuwe trend is dat jonge boeren een nieuwe impuls aan de landbouw geven. Antwoord: Identificeren van vernieuwende groepen en trends is een interessant onderwerp voor de kennisagenda. In Europa, bijvoorbeeld in Italië, zien we al dat hoogopgeleide jongeren van boerenafkomst uit de stad weer terug naar de boerderijen trekken. In opkomende economieën zie je die trend ook ontstaan. Het zijn nog wel uitzonderingen, maar zouden best de â??role modelsâ?? van de toekomst kunnen worden. Het is belangrijk om te onderzoeken wat jonge mensen ertoe brengt de landbouw weer interessant (â??sexyâ??) te gaan vinden

Vraag: Wat zijn de sleutelfactoren die de ontwikkeling van kleine bedrijven belemmeren: geld, logistiek, financiering? Antwoord: Het gaat om een combinatie van dit alles. Ten opzichte van
andere boeren leven zij in een achterstandssituatie o.a. omdat beleid vaak blind is voor de mogelijkheden en beperkingen van family farms; geen toegang tot voor hen relevante kennis, geen toegang tot krediet of alleen krediet kunnen krijgen voor kunstmest (boeren in regenafhankelijke landbouw hebben vaak andere prioriteiten), slecht georganiseerde lokale markten.

Vraag: Afrikaanse family farms worden vaak gerund door vrouwen terwijl de mannen naar de stad trekken. Voor de vrouw is het een probleem dat zij moeilijk krediet kan krijgen omdat ze het land niet in eigendom heeft, en scholing is een probleem omdat het onderwijssysteem minder toegankelijk is voor vrouwen. Antwoord: Ja, vooral vrouwen hebben slechte toegang tot productiefactoren. Maar op het moment dat ze die toegang wel verkrijgen, zijn vrouwen productiever dan hun mannelijke collegaâ??s. FAO stelt dat als vrouwen dezelfde toegang tot productiefactoren hadden als mannen, de productie met 20 â?? 30% omhoog zou gaan. Overigens moet goed gekeken worden naar wat vrouwen zelf als hun prioriteiten zien (kennisvraag).

Vraag: De toegang tot de internationale en mondiale markt is voor deze bedrijven zwak. We hebben het over coöperaties gehad, maar wat is er verder nodig om die posities te verbeteren? Is dat niet om te beginnen het verbeteren van toegang tot en positie op de markt? Antwoord: Ja, maar laten we daarbij beginnen met het verbeteren van toegang tot informele lokale en regionale markten, en niet meteen insteken op de mondiale markt.
Produceren voor de steden wordt belangrijker. Klimaatverandering leidt er ook toe dat sommige boeren het straks niet zullen redden omdat het weer droger/natter/onvoorspelbaarder wordt. Daardoor zullen weer meer mensen naar de stad trekken. De grotere vraag vanuit de stad leidt wel tot nieuwe dynamiek op lokale markten, en ook tot nieuwe soorten markten , bijv. boerenmarkten, community supported agriculture, directe contracten van stedelijke consumenten met rurale producenten(vaak groepen). Hier ligt ook een uitdaging voor jonge boeren.

Stineke Oenema, Programme Coordinator Food and Nutrition Security, ICCO

Het rapport van de Wereldbank uit 2008 zette landbouw weer op de agenda. Echter, landbouw werd hier wel neergezet als instrumenteel voor iets anders, namelijk het stimuleren van economische ontwikkeling. Wat we in de vorige presentatie gehoord hebben, gaat meer uit van de eigenwaarde van family farms. Landbouw is een waarde op zichzelf voor bijvoorbeeld de werkgelegenheid op het platteland.

De FAO benoemt de family farming als meest dominante vorm van landbouw. Sinds de voedselcrisis van 2006-2008 is het Committee for World Food Security hervormd. Men heeft ingezien dat de mensen die honger lijden geen zeggenschap hebben over het beleid. Daarom moet het beleid worden geformuleerd samen met die producenten die zelf voedselonzeker zijn. Daarmee komen ook de family farms weer in het centrum van de aandacht. Het HLPE rapport[4] adviseert om te investeren in smallholders, want dat zijn bijna allemaal family farms. Welke rol kunnen smalholders spelen, welke investeringen zijn nodig, welke belemmeringen zijn er voor family farms/kleine producenten?

FAO â??State of the worldâ?? (2012) concludeerde dat family farms heel veel in zichzelf investeren. Beleid en onderzoek zouden die investeringen moeten ondersteunen. Welke principes en criteria moet gelden voor investeringen in de landbouw opdat ze bijdragen aan voedselzekerheid? In het rapport blijkt dat het om de bollen in het plaatje van ILEIA gaat. Kijk naar lokale systemen voor je investeringen. Kijk niet alleen naar de internationale waardeketens, maar ook naar de lokale, met de family farms dus. Betrek alle belanghebbenden, verspreid good practices.

Wat betreft onderzoek blijkt dat slechts 6% van het â??Agriculture Research for Developmentâ??-geld wordt besteed in 80 lage inkomenslanden (IAASTD [5]). Slechts 3% van de resultaten van â??formeelâ?? onderzoek wordt ook doorgevoerd, volgens een CTA Brussels briefing. Een oorzaak hiervan is dat institutionele ontwikkeling niet wordt meegenomen, terwijl die vereist is voor agrarische ontwikkeling. Lokale innovaties moeten meer het vertrekpunt van onderzoek zijn en boeren moeten in het kennisproces het voortouw kunnen nemen. Dit leidt uiteindelijk tot betere resultaten dan lineair onderzoek waar de boer slechts de eindafnemer is van de resultaten. Onderzoek moet tot innovaties leiden, tot meer productie (in waarde of in opbrengst), en bijdragen aan duurzaamheid. Dat vraagt andersoortig onderzoek dan puur gericht op opbrengstverhoging. Onderzoek moet passen bij de lokale omstandigheden en het lokale agro-milieu ondersteunen, want boeren werken in specifieke ecologische omstandigheden. Onderzoek moet verder gericht zijn om het â??zwoegenâ?? ofwel de â??workloadâ?? van vrouwen te verminderen, juist omat zij een cruciale rol spelen op gebied van voedselzekerheid op huishoudsniveau. Tenslotte moet onderzoek gericht zijn op de vraag hoe voedingsverbetering kan optreden als bij de keuze van de gewassen voedingsmotieven (naast winstmotieven) een rol spelen.

Plenaire discussie

Via de vragen en reacties naar aanleiding van de inleidingen werd een scala aan onderwerpen naar voren gebracht. In de hierop volgende samenvatting worden meningen en visies gegeven die vanwege de beperkte tijd niet uitgebreid zijn besproken en dus niet beschouwd kunnen worden als conclusies van deze bijeenkomst.

Verstedelijking. Veel ontwikkelingslanden zetten beleid in om grootschalige landbouw te stimuleren voor de voedselvoorziening van de steden, als reactie op de urbanisatie. Family farms hebben echter ook ondersteuning nodig, want zij kunnen een cruciale rol spelen in het voeden van de stad en hebben een belangrijke economische rol op het platteland. De steden kunnen ook voor family farms nieuwe perspectieven bieden zoals groepen boeren die produceren voor specifieke groepen urbane consumenten. Overheden gaan overigens wel meer inzien dat het niet een keuze is van â??of-ofâ?? maar van â??en-enâ??, dus aandacht voor én grootschalige voedselproducti, én de rol van family farms.

Toekomstverwachting boeren zelf. De vraag wat de family farmers er zelf van vinden, of ze zelf wel family farms willen blijven, komt steeds terug. Tijdens bijeenkomsten van family farms en boerenorganisaties hoor je vaak dat family farmers strijden voor erkenning van hun wijze van produceren, maar ook dat jongeren naar de stad trekken (en dat heeft te maken met een gebrek aan erkenning). Het wordt sterk bepaald door de lokale situatie. Dat geldt ook voor de organisatiegraad. Zo zijn niet alle family farms in Azië en China georganiseerd, maar daar waar dat wel het geval is, spelen die organisaties een actieve rol.

Rol van nationale overheden. De steden groeien, maar tegelijk neemt ook de bevolking op het platteland toe. Hoe kunnen de nationale overheden hierop inspelen? Eerder is geconcludeerd dat landbouwontwikkeling op gang gebracht wordt door minimaal 10% van het overheidsbudget aan deze sector te besteden. De vraag blijft wèlke ontwikkeling overheden dan zouden moeten stimuleren? Prioriteren van de eigen landbouw is heel belangrijk, en een aantal jonge Afrikaanse leiders ziet dit nu in en gaat hiermee aan de gang. Hierop zou men moeten aansluiten; deze dynamiek ondersteunen door bijvoorbeeld het identificeren van effectieve methoden, door co-investeringen van nationale overheden en private sector. Of door toe te werken naar kortere ketens waarin meer spelers, ook vooral family farms, kunnen integreren. Waardencreatie is voor family farms ook een interessante optie.

Onderzoeksprogrammaâ??s (bijv. het Europese â??Horizon 2020â??). Kennisontwikkeling zou zich ook moeten richten op de maatschappelijke betekenis van de landbouw en op de organisatie van de sector. Steeds vaker wordt gewezen op het belang om boeren te betrekken bij het onderzoek.
Vragen van boeren zouden leidend moeten zijn. Slechts een zeer klein deel (3%) van het onderzoek wordt uiteindelijk toegepast. Het helpt misschien om minder nadruk te leggen op publicaties van onderzoekers, en meer op hoe vaak resultaten toegepast worden.

Voor de toepassing van resultaten is belangrijk dat er een prikkel is en een motivatie om met onderzoeksgegevens aan de gang te gaan (de resultaten van een Filipijns instituut worden wèl in Vietnam gebruikt, omdat zij meer ambitieus zijn, entrepreneurs zijn). Je moet het gevoel hebben als boer dat je het beter kan doen dan hoe je ouders het altijd gedaan hebben. Elk instituut moet dat laten zien en stimuleren.

Er zijn organisaties â?? met name NGOâ??s â?? die bezig zijn met allerlei projecten die onder de radar van de wetenschap blijven, en dus onder de radar van de overheid. Hoe kan je al die goede initiatieven wel in het vizier krijgen van wetenschap en overheid?

Technologie input of integrale interventies? Technologie alleen werkt vaak niet voor family farms in Afrika, omdat toepassing van technologie van méér afhankelijk is dan alleen maar de stimulus van de markt om effectief te zijn. Veel family farms uit Afrika zijn ambitieus, zijn meer midden-bedrijf, zijn goede partners en continuïteit is voor hen belangrijk, wat positief is voor investeerders. Een van de deelnemers was hierover uitgesproken. De vraag van veel boeren is vaak heel praktisch: voor complexe processen zijn veel investeringen beschikbaar, terwijl de boer wil weten hoe hij kuilvoer moet maken. Wat voorop moet staan, is hoe die boer een fatsoenlijk inkomen kan genereren zonder aan het werk kapot te gaan. Verandering is dus nodig en die boer zal misschien andere producten moeten gaan verbouwen, of groeien. â??Ga maar naar de stad,â?? is te eenvoudig als advies. Vraag wat die boeren willen, en als dat praktische kennis is, moet je zorgen dat die er komt.

Probleem is dat grote beleidsinstanties geen affiniteit hebben met het â??simpeleâ??werk van de boer in de klei of de sawa. De doorbraak in Nederland is niet van Wageningen-UR gekomen, maar de schoolmeester die leerde hoe je moest conserveren. Het zijn heel kleine zaken, dichtbij de praktijk. Het Nederlands belang heeft altijd als automatisme de grootschaligheid. Je hebt onderzoek nodig gericht op kleine bedrijven, bijvoorbeeld de kleine handdorsmachines die in Mali zijn uitgezet, i.p.v. de grote combines, zijn daar juist effectief.

Tegenover de input van small scale technologie staan andere visies. Wil je ervoor zorgen dat de boer ieder jaar 2% meer produceert, dan zijn meerdere incentives nodig, zoals het versterken van instituties (bijv. voorlichting) en infrastructuur. In de institutionele omgeving moet alles kloppen. Hiervoor dient de overheid te zorgen, want de private sector kan er niet in voorzien. Afrika heeft op dit terrein geen goede traditie. Hoe kunnen de fouten van de jaren 70 worden vermeden en productiviteitstijging worden gerealiseerd.

Wat er in brede zin moet gebeuren, weten we wel, maar hoe het moet gebeuren, dat is nog een groot vraagteken. Input subsidies zoals vouchers voor kunstmest blijken te werken. Anderen pleiten voor een focus op markttoegang. Nu de â??grootfamilieâ?? als zekerheid in moeilijke tijden verdwijnt, zijn nieuwe instellingen voor het verzekeren van investeringsrisicoâ??s nodig.

Leidt de focus op family farming tot mystificatie? Helpt het ons verder als we â??family farmsâ?? centraal stellen? Is het een te onderscheiden groep als het om 80% van de bedrijven gaat en er bovendien zoveel variatie is binnen family farms. We moeten familiebedrijven niet terugdringen tot â??smallholdersâ??; de bedrijven kunnen klein zijn, maar ook groot. Ze kunnen multifunctioneel zijn, andere inkomsten hebben en ook heel commercieel zijn. Entrepreneurship is geen onderscheidend kenmerk. Daarmee is uitgaan van family farming een perifere discussie. Het gaat om allerlei ontwikkelingen die relevant zijn voor voedselzekerheid, zoals het marktordeningsvraagstuk. Als er maar één speler is op een nationale markt, is er geen stimulus voor ontwikkeling.

De vragen en oplossingen die genoemd worden zijn niet nieuw.[6] Echter, intussen ontwikkelt de wereld â?? en Afrika â?? zich verder en verliezen we de aansluiting. In Afrika komt de kennis niet via de publieke instellingen. Bedrijven hebben hun eigen R&D en plukken gegevens van het internet. De vraag is eerder: doen ze het wel goed? We moeten geen discussie meer voeren over het handelsmodel versus zelfvoorziening. Boeren moeten zichzelf én de wereld voeden.

Van de drie groepen (A, B, C) genoemd in de inleiding komt groep A er wel (beschikking over goede omstandigheden en middelen). Voor B en C weten we wel wat oplossingen zijn, maar niet welke werken, vanwege de uiteenlopende contexten. Voor een onderzoek kan je een voorbeeld nemen aan de â??randomized control trialsâ?? in onderwijs en gezondheidszorg. Dat soort onderzoek kan je ook op family farms toepassen en te weten komen waarom boeren het ene wel toepassen en het andere niet.

Relevante kennisvragen. Aan het eind van de bijeenkomst werden nog enkele onderwerpen gesuggereerd voor de kennisagenda.
� Food en nutrition security: genoeg en goed genoeg voedsel. Vaak ligt de nadruk op fortification, het toevoegen van nutrienten aan voedsel, maar onderzoek eens of de producten van kleine boeren meer nutriënten bevatten dan de massateelt van stapelgewassen.
â?¢ Relatie platteland en stad: veel kleinschalige boeren werken ook in de stad voor hun afzet.
� Patenten op zaad is een probleem voor kleinschalige boeren. Het beleid is gericht op de commerciële zaadproducenten. In ontwikkelingslanden nemen overheden vaak klakkeloos het beleid van het Westen over. Het patentenbeleid is iets om nader uit te zoeken.
â?¢ Risicomanagement: waarom doen mensen wat ze doen? Het wegnemen van risicoâ??s kan ontwikkeling stimuleren. Dat geldt natuurlijk voor kleine en grote bedrijven.

De lokale context â?? inclusief de interactie met de nationale en internationale omgeving â?? dient uitgangspunt te zijn voor interventies. Voorbeelden hoe landbouwontwikkeling en voedselzekerheid lokaal tot stand komen zijn interessant. Interventies werken lang niet altijd op het nationale niveau. Overheden zouden moeten zorgen voor een goede lokale omgeving, maar zijn daar â?? zeker in Afrika â?? veelal niet toe in staat. Voortbouwen op lokale initiatieven, zoals een betere urban-rural interactie biedt meer perspectief.

Family farming is â??a way-of-lifeâ??. De focus moet liggen op die grote categorie boeren die onder de radar van beleid en onderzoek zijn verdwenen. Family farmers zijn niet gelijk aan kleine boeren die groter moeten groeien. Zij hebben een aantal karakteristieken die belangrijk zijn voor maatschappelijke ontwikkeling die verder gaat dan productiviteitsverhoging. Ze hebben de potentie in zich om sociale en ecologische doelen te verbinden met economische. Voor miljoenen gezinnen en voor de mondiale samenleving biedt dat een toekomst.

Verwijzingen
[1] Maros Ivanic and Will Martin (2008). Implications of Higher Global Food Prices for Poverty in Low-Income Countries. Policy Research Working Paper 4594. The World Bank, Development Research Group. elibrary.worldbank.org/doi/pdf/10.1596/1813-9450-4594
[2] Bill Vorley, Ethel del Pozo-Vergnes, Anna Barnett (2012). Small producer agency in the globalised market. Making choices in a changing world. Hivos â?? IIED â?? Mainumby. pubs.iied.org/pdfs/16521IIED.pdf
[3] Julio A. Berdegue and German Escobar (2002). Rural diversity, agricultural innovation policies and poverty reduction. ODI Agricultural Research and Extension Network. www.odi.org.uk/sites/odi.org.uk/files/odi-assets/publications-opinion-files/5208.pdf
[4] A New Global Partnership: Eradicate poverty and transform economies through sustainable development. The Report of the High-Level Panel of Eminent Persons on the Post-2015 Development Agenda (2013)
[5] International Assessment of Agricultural Knowledge, Science and Technology for Development, IAASTD, 2008
[6] Artikelen die door een van de deelnemers werden genoemd en waarin problematiek goed wordt beschreven:
� Options for African Agriculture in an Era of High Food and Energy Prices. Peter B. R. Hazell, Lecture at 27th International Conference of Agricultural Economists, Foz do Iguaçu, Brazil (August 2012)
â?¢ Africaâ??s Food Crisis: Conditioning Trends and Global Development Policy. Akinwumi A. Adesina (2009) Alliance for a Green Revolution in Africa (AGRA)

foodFIRST for thought

Opinions and verbatim reports of the foodFIRST activities

Vijverbergsession 2 December: A policy paradigm for rural development cooperation in Africa
22-12-2015 | Hans Groen

Vijverbergsession 21 October 2015: Private sector-led greening of agriculture in Africa
15-12-2015 | Hans Groen

Vijverbergsession 3 December 2014, Van smallholders tot ondernemers
19-01-2015 | Marijke van Hooijdonk

Vijverbergsession 10 September 2014: Family Farming and Financial Services
01-12-2014 | Marieke De Sonnaville

Vijverbergsessie 5 maart 2014: De watervoetafdruk van agrarische producten
11-09-2014 | Hans Groen

Vijverbergsessie 7 mei 2014, Het Dutch Good Growth Fund
11-09-2014 | Hans Groen

Vijverbergsession 2 juli 2014: De rol van regionale markten voor voedselzekerheid in Afrika
12-08-2014 | Marieke De Sonnaville

Vijverbergsession 2 april 2014: The oceans as a food source; towards sustainable governance
15-05-2014 | Hans Groen

Vijverbergsessie 16 oktober 2013: De nexus tussen water, energie en voedselzekerheid
26-03-2014 | Hans Groen

Stadslandbouw: bonestaken tussen de flats of voetballende kinderen?*
11-03-2014 | Hans Groen

Vijverbergsessie 11 december 2013: Boerengezinsbedrijven en de onderzoeksagenda voedselzekerheid
10-03-2014 | FoodFIRST Editors

Vijverbergsessie 15 januari 2014 Voedselverspilling in de keten
13-02-2014 | Hans Groen

Vijverbergsessie 6 november 2013: Governance van oceanen als mondiale publieke goederen -- De pelagische visserij als casus
13-02-2014 | FoodFIRST Editors

Vijverbergsessie 25 september 2013: Food security and nutrition security
17-12-2013 | Hans Groen

Vijverbergsessie 22 mei 2013: Water en voedselzekerheid
06-08-2013 | Hans Groen

Vijverbergsessie 20 maart 2013: Coöperaties en Landbouwontwikkeling
17-06-2013 | Hans Groen

Vijverbergsessie 17 april 2013: Cultuur, Religie en Voedsel
14-06-2013 | Hans Groen

Vijverbergsessie: Voedselzekerheid; wat werkt?
03-04-2013 | Karlijn Muiderman

Vijverbergsessie: De Lessen van Venlo
26-03-2013 | Femmy Bakker-de Jong

Urban Agriculture
16-10-2012 | Karlijn Muiderman

The Business of Food and Nutrition Security
16-10-2012 | Karlijn Muiderman

FoodFirst in Practice
27-09-2012 | Wim Peeters

19 June 2012: Investing in Food Security & Food Markets in Africa
21-08-2012 | Hans Groen

29 May 2012: Breaking the hunger cycle in Africa
21-08-2012 | Hans Groen

8 May 2012: Food and Sustainability: Please, enjoy your steak
14-05-2012 | Hans Groen

24 April 2012: Cooperatives and Development
14-05-2012 | Hans Groen

15 March 2012: VoedselZaken over grenzen heen
23-03-2012 | Hans Groen

Landbouw en handelsliberalisering, GLB en WTO Vijverbergsessie 16 januari 2012
26-01-2012 | Hans Groen

Food and Geopolitics, Vijverberg session 21 november 2011
26-01-2012 | Hans Groen

Pastoralism, Vijverberg session 9 June 2011
12-12-2011 | Hans Groen

Workshop Pastoralism, Ministry EL&I 29 September 2011
06-10-2011 | Hans Groen

Voedsel brengt geopolitiek terug in platte wereld
05-10-2011 | Cor van Beuningen