foodFIRST for Thought

Vijverbergsession 3 December 2014, Van smallholders tot ondernemers

© 2015-01-19 | Marijke van Hooijdonk

Het thema van deze Vijverbergsessie is de rol die onderzoek, voorlichting en onderwijs spelen bij ondersteunen van het ontwikkelingsproces van smallholders -boerengezinsbedrijven - tot ondernemers.

Voorzitter Frans Verberne opent de sessie met een drietal observaties. Allereerst lijkt de roep om “agricultural vocational training” – lager en middelbaar beroeps- of praktijkonderwijs – toe te nemen. Met name het Nederlands bedrijfsleven met investeringen en activiteiten in ontwikkelingslanden constateert een gebrek aan geschoold kader.
Ten tweede is er de vraag of de ervaringen en modellen uit het verleden – zoals het succesvolle Nederlandse OVO model - bruikbaar zijn in de huidige context. Moeten we niet inzetten op nieuwe modellen die aansluiten bij ontwikkelingen in de communicatietechnologie, sociaal geografische verschuivingen of de ambities van Nederlandse bedrijven (bv Textielbedrijf Vlisco uit Helmond en haar werk met Afrikaanse katoentelers en kledingontwerpers).
Ten derde is er de vraag van de schaal. Er zijn succesvolle voorbeelden van onderwijs en voorlichting aan smallholders op kleine schaal (zoals farmer field schools), maar hoe kom je tot een grotere schaal en bereik je een substantieel aantal smallholders?

Presentatie Harro Maat (WUR leerstoelgroep Knowledge, Technology and Innovation)
Het thema landbouwonderwijs en - voorlichting is veelomvattend. Spreker richt zich daarom op één aspect. Dit betreft het inzicht in hoe de mens en dan met name de smallholder leert. Hoe maakt de boer zich nieuwe kennis eigen? Als we dit begrijpen hebben we inzicht in de handvaten over hoe kennisoverdracht naar smallholders vorm en inhoud kan krijgen. Gangbare voorlichtingsmodellen gaan uit van cognitief leren en zijn in feite bezig met de overdracht van kennis als talige en meestal abstracte representatie, ook wel bekend als boekenwijsheid. Dit is geen garantie dat nieuwe kennis ook toegepast wordt. Hier is ‘Actief leren’ voor nodig, waarbij het eigen maken is hierbij het motto. Liever spreekt men van het ontwikkelen van vaardigheden de hoofdmoot vormt dan van kennisvergaring. Een herkenbaar voorbeeld betreft de zwemles.
Studie van de boerengemeenschappen en ervaringen rond Farmer Field Schools, praktijknetwerken en studiegroepen van smallholders/agrariërs laten zien dat nieuwe kennis door smallholders succesvoller wordt opgenomen onder erkenning van meerdere processen en omgevingsaspecten:
- Vaardigheden ontwikkeling mag centraal staan. Learning by doing. “Skills” in plaats van “knowledge”
- Eigen maken van vaardigheden is een proces van vallen en opstaan. Zo’n proces noemt men ook wel
- Tijd om te experimenteren. Dus niet alleen in de wetenschap is experimenteren belangrijk, ook bij boeren en andere praktijkmensen vormt het de kern van het leerproces..
Een agrariër heeft niet alleen tijd nodig om zich een nieuwe aanpak, producktiemiddelen en/of technologie eigen te maken en te oefenen, maar zal het effect van een innovatie willen beoordelen in de context van zijn bedrijf (agronomisch, ecologisch, economisch) en bedrijfsvoering, liefst over meerdere seizoenen.
- Weging van specifieke innovatie tegen overige aspecten bedrijfsvoering op en rond het erf.
- Interactie. Een vernieuwing kan effect hebben op de sociale structuren. Denk bijvoorbeeld aan introductie van landbouwmechanisatie die taken van een groep vrouwen naar één man doen verschuiven; of druk op gezin of gemeenschap veroorzaken. Sociale coördinatie dient daarom hand in hand te gaan met de introductie van nieuwe kennis, technologie en vaardigheden. Dit voorkomt belemmering in kennisopname en/of kan voorzien in introductie van flankerende acties in de gemeenschap.
- Vernieuwing is vaak gericht op inpassing in een bestaand systeem. Smallholders passen echter vernieuwing zelf aan hun omstandigheden. Dit vraagt flexibiliteit en denken in maatwerk.

Vragen die naar aanleiding van deze eerste presentatie gesteld worden:
- Het verdienmodel wat bij vernieuwingen in bijvoorbeeld de rijstteelt wordt gevoerd gebruikt, blijkt in veel gevallen niet getriggered door hogere productie- en daarmee inkomsten verhoging maar veel eerder door reductie van kosten en/of tijd. De smallholder weegt kosten/baten af tegen de opbrengst van zijn gewas of de opbrengst als arbeider in de bouw; of hij/zij weegt het af tegen de opbrengsten en benodigde tijdsinspanning van een andere (cash-) crop.
- Hoe is het met de groep smallholders die nog niet klaar lijken voor nieuwe kennis en vaardigheden en het maken van een rationele afwegingen? Het gegeven dat actie richting vernieuwing en ontwikkeling uitblijft onder grote groepen smallholders blijkt in veel gevallen juist gevoed te zijn door rationele overwegingen. Deze zijn veelal niet landbouw georiënteerd maar eerder sociaal economisch van aard.
- Het opnemen en toepassen van nieuwe kennis is inderdaad vaak een incrementeel proces. Het model doing,using, acting is bekend en kost tijd voordat vernieuwingen daadwerkelijk zichtbaar worden. De introductie van radicale innovaties bij bijvoorbeeld handelsgewassen staat hier haaks op. Kunnen smallholders wel snel leren of veranderen? Jawel, dat is mogelijk. Snelle beslissers zien we radicale wendingen oppakken maar daar bij valt op dat men een terugvalpositie bewaakt. Men ziet niet alle pijlen op de vernieuwing en spreidt risico’s.

Presentatie Janny Vos (CABI)
CABI werd in 1910 in Londen (Gr. Br.) opgericht als entomologisch onderzoeks-orgaan voor de tropische Commonwealth landen en is uitgegroeid tot een internationale ontwikkelingsorganisatie en agrarische kennisinstelling. Haar publicaties en wetenschappelijke database op gebied van agronomie, plantenziekten en gewasbescherming in de tropen zijn binnen de sector welbekend. CABI heeft inmiddels wereldwijd meerdere vestigingen. Janny Vos werkt als Strategic Partnerships Director vanuit de Nederlandse CABI vestiging in Leusden.

“More knowledge gives more food”. Men zal dus de kennis bij de boer dienen te brengen.
“All knowledge has value” . Kennisverspreiding volgens een top down methode heeft niet de voorkeur. Daarbij speelt immers de vraag wat juiste kennis is? Naast wetenschappelijk bewezen kennis is er de lokale kennis van agrariërs en hun lokale gemeenschappen. De eerste soort kennis is reductionistisch en specialistisch van aard terwijl de tweede bron een holistisch en daarmee integraler van aard is. Het is belangrijk beide bronnen te erkennen, in de praktijk te valideren en zodoende verbinden.

“Knowledge for Development”. Duurzame verandering en vernieuwing vraagt om een bredere integrale aanpak. Hierbij is het essentieel dat naast de smallholders de overige stakeholders, toeleveranciers, erfbetreders, kredietverstrekkers, overheid kortom partijen met directe relatie in de productie en handelsketen en/of in de zogenaamde enabling society vraagt betrokken worden bij het beoogde vernieuwingsproces.
Face to Face voorlichting en een Train the Trainer model is niet altijd mogelijk als de voorlichter naar de agrarier toe moet gaan, in verband met reiskosten en de geringe “reach”.
Beter is samenwerken in internationale netwerken of systemen en het denken in een zogenaamde “Agro Service Chain” waar meerdere kennisbronnen in vertegenwoordigd zijn en waar de boer uit kan putten. Vervolgens kan door de agrariër en kennisinstellingen gevalideerd worden wat werkt en wat niet.

Een projectmatige aanpak om een vernieuwing binnen en rond de keten te realiseren lijkt te smal. Een programmatische aanpak is nodig, waarbij vanaf het begin samen met alle stakeholders de probleemanalyse in en rond de keten wordt gedefinieerd om vervolgens benodigde acties door alle partijen te laten omarmen. De overheid dient hierbij ook als partner aanwezig te zijn. Het programma hoeft geen vooraf benoemd eind te hebben, maar wel de overname van essentiële taken door locale stakeholders; infasering hoort hierbij. Alles draait om structurele inbedding van de vernieuwing in beleid en acties van betrokken partijen.

Complementair denken en flankerend beleid inzetten.
In de huidige tijd betekent dit ook benutten van technologische vernieuwing. Dit opent tevens de weg naar schaalvoordelen. Klassieke voorlichting of het nu face to face is of via field schools en studiegroepen heeft nog steeds een beperkt bereik. De uitdaging ligt er om zoveel mogelijk impact te hebben met zo min mogelijk outreach acties.
Zo heeft CABI een innovatieve aanpak geintroduceerd met haar zogenaamde “ Plant wise” programmas. Hierbij kunnen voorlichters en smallholders direct digitaal een kennisbank benutten om een diagnose te doen en advies te vragengeven. Het gebruik van ICT zal enorme mogelijkheden bieden om meer smallholders te bereiken, en zal daarom samen met andere methodes ingezet moeten worden om tot verbetering in de kennis overdracht te leiden.
Schematisch gezien wordt een en ander als volgt weergegeven:




Spreekster eindigt met de boodschap dat er voldoende kennis beschikbaar is om de wereld te kunnen voeden. Hoe we deze ontsluiten en bij de boeren brengen - daar ligt de uitdaging!

Vragen naar aanleiding van de lezing:
- Wat zijn belangrijkste behoeften volgens de spreekster van smallholders en waar wordt meeste winst gehaald? Er valt veel te winnen door kwaliteit zaaizaad te verbeteren; de gewasbescherming kan veel natuurlijker, er worden nog steeds te veel pesticiden gebruikt. Beide factoren hebben te maken met aanbod en dominantie van lokale traders. Daarmee komt het derde aspect aan de orde: het belang van een enabling environment.
- Wat is de rol van “vocational training” dus lager middelbaar beroepsonderwijs en praktijkscholen voor de jeugd? Deze is en blijft essentieel met de opmerking dat deze opleidingen aantrekkelijker gemaakt kunnen worden voor de jeugd. Een landbouw en ketenbreed aanbod waar zowel agronomie, handel en verwerking aan bod komen en moderne ICT technologie wordt toegepast biedt perspectief om landbouwonderwijs sexy en aantrekkelijk te maken voor zowel plattelands- als stadsjeugd.

Reactie Hedwig Bruggeman (Agri Pro focus)
Ingezien wordt dat lokale en wetenschappelijke kennis verbonden dienen te worden, dat het om vaardigheden ontwikkelen ipv kennisverwerving gaat; en dat netwerken belangrijk zijn. Maar, riposteertde respondent ; dat weten we al sinds 30 jaar, en waarom gaat een en ander toch zo moeizaam?

De rol van de overheid wordt door beide sprekers overschat. In Afrika is gebleken dat onder invloed van de SAP’s (structural adjustment programmma’s ) de overheidsvoorlichtingsprogramma’s zijn ingestort en pogingen om voorlichting en advies te privatiseren zijn net als in Nederland grotendeels mislukt. Dus de droom om in Afrika het OVO drieluik nieuw leven in te blazen als innovatie is een doodlopende weg. landbouwvoorlichting onder leiding van de overheid niet werkt.

Als 72% van de agrarisch producenten in Afrika minder dan 1 hectare bewerkt dan moeten we niet willen inzetten op iedereen boer” maar op “skills development” in de hele keten om daarmee meerwaarde en werkgelegenheid te creëren. Dan moeten we ons zal men zich op de jongeren dienen te richten en ICT voluit inzetten. Reguliere investeringen in traditionele onderzoeks- infrastructuren met Nederlandse overheidssteun hebben nauwelijks enig effect. De Kennis die nodig is om duurzame productie verhoging te bewerkstelligen ligt op de plank daar is geen nieuw onderzoek voor nodig maar inderdaad zoals beide sprekers betogen het verbinden van “skills”netwerken en onderzoek hoe dat beter te laten stromen.

Ook zijn de PPP instrumenten die nu door Minister Ploumen maar ook al eerder door EZ en BuZa zijn gelanceerd vaak niet effectief als er niet gekeken wordt naar het breed opleiden van lokaal kader. de beschikbaarheid van geschoold lokaal kader. Dit scholingsaspect dient verplicht aandacht te krijgen en als expliciete voorwaarde opgenomen te worden in PPP criteria. Scholing via vocational agri-schools blijft belangrijk. Alle aandacht richten op de jeugd van Afrika.

Het Gesprek
Inhoud en bereik van onderwijs in agro-food sector
Opgemerkt wordt dat agrarisch onderwijs en voorlichting breder strekken. Handel en processing zijn minstens zo belangrijk in Afrikaanse landen. Is de rol van de WUR binnen deze discussie en binnen internationale gerichte programma’s niet te groot? Is niet een lager niveau nodig en dient deze niet beter en meer gedeeld te worden met andere disciplines buiten het directe landbouwdomein - denk aan TUs, HTS, HEAO, business and logistics opleidingen.

Rol private tegenover publieke sector
Geconstateerd wordt dat kennis, middelen en modellen aanwezig en/of uitgedacht zijn. Het bereiken van de benodigde schaal lijkt daarom het grootste knelpunt. Grotere bedrijven treden in de keten steeds vaker op als service providers. Zij schakelen hier de middlemen/tussenhandel uit. Denk aan Cargill die de middelen heeft en een substantieel schaalbereik. Kortom de private sector is toegerust om onderwijs en voorlichting professioneel op te pakken en kan daarmee tevens haar commitment aan MVO tonen.
De keerzijde van dit proces is dat deze product- en veelal exportgestuurde voorlichting voorbijgaat aan de bredere behoeften van de lokale markt. Als het internationaal grootbedrijf de voorlichting gaat verzorgen dan kent de wereld straks nog maar een handvol commodities. Naast de producenten van export gewassen blijven er massa’s smallholders die voor de lokale markt produceren en de overheid zal voor hen de voorlichting en onderwijs dienen te bewaken, faciliteren en/of organiseren.

Vergeet het lager onderwijs niet
Een andere observatie stelt dat invloed van de overheid in Afrika afneemt en dat multinationals in de leemte van kennisbehoeften voorzien. Echter er is éen domein waar overheid actief dient en kan blijven en waarop nog veel te brengen en verbeteren valt en dat is het lager beroepsonderwijs. Hier ligt ook de kans om het vak van landbouwer algemeen en van jongs af aan gewaardeerd te krijgen. Op het Nederlandse platteland kreeg de jeugd op de lagere school mee dat het beroep van boer een eerbaar beroep was.

Belang van organisatie smallholders
Zoals gezegd lijkt de landbouwvoorlichting in Afrika niet succesvol te zijn. Wat is daarvan de oorzaak? Vergelijkend onderzoek in Peru en Uganda laat zien dat daar waar de boeren goed georganiseerd waren de voorlichting succesvol bleek. Daar waar het niet lukte, in Uganda, bleken drie factoren belemmerend te werken:
- gebrek aan (boeren) organisatie
- wantrouwen van overheid
- hoge transactiekosten om kennis naar boeren te leiden.
Wat de kosten-baten verhouding betreft dient ook meegenomen te worden wat de trade off is van het door CABI gepresenteerde Reach-Impact model. Keuze van product en daarmee producentengroepen geven focus maar ook verkokering; zoals gezegd verwaarloost men grote aantallen gewone smallholders en ondermijnt men de lokale economie en bijbehorende structuren.

De betere boerenleiders komen voort uit deze organisaties. Zij die door lokale overheden worden aangewezen en niet uit een eigen organisatie voortkomen zijn niet per sé goed of geaccepteerd.
Andere vormen van kennisoverdracht en praktijktraining
Zijn onze westerse modellen van kennisoverdracht, onderwijs en voorlichting niet achterhaald? Denken wij aan praktijkscholen als het beste schoolsysteem; in Afrika zien we andere vormen zoals ouders die een lokaal bedrijf bv garagebedrijf, betalen om hun kind op te leiden tot automonteur. Deze lokale methode werkt en daar kan op ingestoken worden. Toerusten van de garagehouder ipv oprichting dure ambachtsschool wordt dan een realistische keuze.
Een ander voorbeeld is de spin off van een innovatie die lokaal kennisontwikkeling veroorzaakt bij toeleveranciers. Zo ontstond bij de introductie van Zero-grazing de behoeften aan hakselaars. Lokale smederijen zijn hierop ingesprongen en hebben in overleg met veehouders een nieuw werktuig ontwikkeld.

Het gesprek vervolgt met de stelling dat alle kennisoverdrachtvormen welkom en werkbaar zijn en complementair ingezet kunnen worden. Er dient een achterstand van 15 jaar ingehaald te worden. De landbouw en daarmee de landbouwvoorlichting heeft een periode van desinvestering achter de rug. Die prijs betalen we nu. Mogelijk komt de gangbare landbouwvoorlichting in haar oude vorm niet meer terug. Wat wel moet blijven is het agrarisch onderwijs als diepte investering in de boer en in het publiek belang. In ieder land blijft dit een voorwaarde voor landbouwontwikkeling en voedselvoorziening.

Een model van kennisoverdracht dat wereldwijd erkend wordt als succesvol, zijn studiegroepen van boeren onderling. In Nederland waren voorheen de winterschoolavonden binnen de agrarische gemeenschap een begrip, daarna volgden de studieclubs en tegenwoordig ziet men wel praktijknetwerken. Kennis en ervaringsuitwisseling, reflecteren op en in elkaars bedrijf bevordert snelle kennisverspreiding en verdieping. Hierbij helpen een gevestigde boerenorganisatie en veel onderling vertrouwen. Interessant wordt het als dit model aangevuld wordt met hedendaagse ICT componenten zoals geschetst door CABI.

Rol van de banken – segmentering smallholders
Kredietverstrekkers letten in hun beoordeling op de condities van en rond de potentiële kredietnemer. Condities zoals een enabling environment, landrechten en aanwezigheid van landbouwonderwijs. In ontwikkelingslanden wordt een grote variëteit in absorptievermogen gezien. Aanwezigheid van landbouwonderwijs blijkt belangrijk maar de wijze en tempo waarop men vernieuwing oppakt loopt zeer uiteen. In Vietnam bijvoorbeeld gaat dit razendsnel en in menig Afrikaans land gaat dit erg langzaam. Dit continent kent 33 miljoen smallholders. De banken kiezen bij voorkeur de smallholders met ondernemerskwaliteiten; die een zeker kennisniveau hebben; land in eigendom hebben en beschikken over toegang tot ondersteunende diensten en infrastructuur.
Hoe selecteer je geschikte smallholders, en welk segment is geschikt waarvoor? Contractfarmers selecteren zichzelf. Alleen zij die kunnen voldoen aan de gestelde voorwaarden blijven over. Maar de smallholders die geen contractfarmers zijn kunnen bijvoorbeeld geselecteerd worden op het criterium dat hun kinderen landbouwonderwijs genieten. Dat betekent immers dat opvolging en toekomst bedrijf geborgd is.
Selectie dient nooit aan ambtenaren overgelaten worden. Voorlichters uit de stad worden veelal niet vertrouwd. Voorlichters van boeren komaf hebben dan een streepje voor – maar worden net zo makkelijk als “de luiste boer” gezien.

Beter opgeleide boeren nemen autonome beslissingen. Zij kunnen ook kiezen voor teelten die niet beoogd worden in een beleidsprogramma, maar die voor de agrariër interessanter zijn. Als rubber meer opbrengt dan cacao is het de ondernemer eigen om te switchen en te kiezen voor rendement.

De vraag doet zich voor of we binnenkort een apocalyptisch beeld zien van een platteland zonder boeren maar met ondernemers in de stad die de vraag creëren. Het fenomeen “telephone farmer” komt reeds voor.

Nederlandse overheid – hulp en handel
Binnen de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking is minder budget voor kennis en onderwijs beschikbaar dan voorheen. Met de keus voor “Van hulp naar handel” laat de overheid investeringen in praktijkonderwijs eerder over aan bedrijfsleven. Het is nog niet bekend wat het resultaat is van dit beleid. Wel hebben de verschillende agrarische onderwijsinstellingen in Nederland (Wageningen UR, HASsen en AOCs) o.l.v. het ministerie van E.Z. recentelijk het initiatief genomen om gezamenlijk tot een strategisch internationaal onderwijsprogramma te komen.

Wat willen betreffende landen – wat is de vraag?
Is er onderzoek bekend en een goede analyse van hetgeen betreffende landen in Afrika zelf willen en nodig hebben?
Op deze vraag kan geen antwoord gegeven worden, wel worden enkel voorbeelden genoemd. Onderzoek naar de markt van biologische rijst in Cambodja leidde tot de voor NL-ers onverwachte conclusie dat dit product reeds door arme arbeiders wordt afgenomen. Het is een gewaardeerd product van de dorpen waar vandaan verstedelijkte arbeiders komen. NLse onderzoekers hadden verwacht dat –zoals in het westen – de nieuwe middenklasse om dit product zou vragen. In Rwanda is een gebrek aan Franstalige leraren en landbouwtrainers. Deze worden uit Kongo gehaald.

Het lijkt erop dat men in Afrika geen gangbare landbouwvoorlichting meer wil of gerealiseerd krijgt.
De omstandigheden waarbinnen het Nederlandse OVO opereerde zijn geheel anders en kunnen niet gekopieerd worden naar Afrika. Agrarisch onderwijs en voorlichting dient anders georganiseerd te worden. Hier moeten grote stappen gemaakt worden m.b.v. onder meer ICT en mobiele telefonie.

Samenvatting en aandachtspunten voor slotconferentie
De voorzitter schetst de rode lijnen:
- Belang en begrip van de lokale situatie dient centraal te staan; die bepaalt de kansen voor vocational training en voorlichting. Dit betekent ook uitgaan van lokale organisaties en modellen en de keuze van de doelgroep - welk segment van smallholders – kiest men, cash crops, food crops, export of lokale markt, contract farmers of lokaal georiënteerde ondernemers;
- Daarnaast moeten we bedenken wie de echte ‘change agents’ zijn, de services providers, de ondernemer in de stad, de overheid, etcetera. En wil Nederland zich met beperkte middelen richten op koppelingen met het Nederlandse bedrijfsleven waarbij “peer to peer” succesvol blijkt? De Nederlandse overheid kan zich als ondernemer opstellen en onze kennis en onderwijs vermarkten.
- Resultaatgerichte training van boeren en werknemers in specifieke ketens gekoppeld aan inputs of producten door bedrijven lijkt gewenst maar roept tegelijkertijd de vraag op of dit niet te eng, te smal i. Zijn er niet juist diepte investeringen nodig zijn om het ondernemerschap van smallholders in brede zin te versterken. Wat dient de rol van de (lokale)overheid in landbouwonderwijs en voorlichting te zijn?
- “Sprongen in plaats van stappen” zijn nodig in Afrika; ook op het terrein van voorlichting en training in de agrofood sector!

foodFIRST for thought

Opinions and verbatim reports of the foodFIRST activities

Vijverbergsession 2 December: A policy paradigm for rural development cooperation in Africa
22-12-2015 | Hans Groen

Vijverbergsession 21 October 2015: Private sector-led greening of agriculture in Africa
15-12-2015 | Hans Groen

Vijverbergsession 3 December 2014, Van smallholders tot ondernemers
19-01-2015 | Marijke van Hooijdonk

Vijverbergsession 10 September 2014: Family Farming and Financial Services
01-12-2014 | Marieke De Sonnaville

Vijverbergsessie 5 maart 2014: De watervoetafdruk van agrarische producten
11-09-2014 | Hans Groen

Vijverbergsessie 7 mei 2014, Het Dutch Good Growth Fund
11-09-2014 | Hans Groen

Vijverbergsession 2 juli 2014: De rol van regionale markten voor voedselzekerheid in Afrika
12-08-2014 | Marieke De Sonnaville

Vijverbergsession 2 april 2014: The oceans as a food source; towards sustainable governance
15-05-2014 | Hans Groen

Vijverbergsessie 16 oktober 2013: De nexus tussen water, energie en voedselzekerheid
26-03-2014 | Hans Groen

Stadslandbouw: bonestaken tussen de flats of voetballende kinderen?*
11-03-2014 | Hans Groen

Vijverbergsessie 11 december 2013: Boerengezinsbedrijven en de onderzoeksagenda voedselzekerheid
10-03-2014 | FoodFIRST Editors

Vijverbergsessie 15 januari 2014 Voedselverspilling in de keten
13-02-2014 | Hans Groen

Vijverbergsessie 6 november 2013: Governance van oceanen als mondiale publieke goederen -- De pelagische visserij als casus
13-02-2014 | FoodFIRST Editors

Vijverbergsessie 25 september 2013: Food security and nutrition security
17-12-2013 | Hans Groen

Vijverbergsessie 22 mei 2013: Water en voedselzekerheid
06-08-2013 | Hans Groen

Vijverbergsessie 20 maart 2013: Coöperaties en Landbouwontwikkeling
17-06-2013 | Hans Groen

Vijverbergsessie 17 april 2013: Cultuur, Religie en Voedsel
14-06-2013 | Hans Groen

Vijverbergsessie: Voedselzekerheid; wat werkt?
03-04-2013 | Karlijn Muiderman

Vijverbergsessie: De Lessen van Venlo
26-03-2013 | Femmy Bakker-de Jong

Urban Agriculture
16-10-2012 | Karlijn Muiderman

The Business of Food and Nutrition Security
16-10-2012 | Karlijn Muiderman

FoodFirst in Practice
27-09-2012 | Wim Peeters

19 June 2012: Investing in Food Security & Food Markets in Africa
21-08-2012 | Hans Groen

29 May 2012: Breaking the hunger cycle in Africa
21-08-2012 | Hans Groen

8 May 2012: Food and Sustainability: Please, enjoy your steak
14-05-2012 | Hans Groen

24 April 2012: Cooperatives and Development
14-05-2012 | Hans Groen

15 March 2012: VoedselZaken over grenzen heen
23-03-2012 | Hans Groen

Landbouw en handelsliberalisering, GLB en WTO Vijverbergsessie 16 januari 2012
26-01-2012 | Hans Groen

Food and Geopolitics, Vijverberg session 21 november 2011
26-01-2012 | Hans Groen

Pastoralism, Vijverberg session 9 June 2011
12-12-2011 | Hans Groen

Workshop Pastoralism, Ministry EL&I 29 September 2011
06-10-2011 | Hans Groen

Voedsel brengt geopolitiek terug in platte wereld
05-10-2011 | Cor van Beuningen