Artikel: ‘Met voedseldiplomatie blijft Nederland strategisch relevant’
Door Paul Bosman en Julia Rijssenbeek
Het oude geloof in vrije wereldhandel is stukgelopen op de geopolitieke realiteit. En die raakt niet alleen energie, technologie en industrie, maar ook een sector die te vaak buiten dit debat blijft: voedsel.
‘We willen een land dat weer over de dijken kijkt’, schreven D66 en CDA in hun gezamenlijke brief tijdens de kabinetsformatie. De vraag is inderdaad niet óf, maar hóe we dat doen. Nederland is een voedselland en een open economie, met groot belang bij multilateralisme en vrije markten, juist nu de wereld verhardt en versplintert. Naar binnen keren en vasthouden aan het oude bekende, zoals de eerste reflex onder het kabinet-Schoof, is voor Nederland geen optie. Toch ontbreekt een overkoepelende strategische visie op hóe Nederland een rol op voedselgebied kan spelen.
De internationale orde waarop Nederland decennialang bouwde, verandert snel. Multilaterale instituties verzwakken, de Verenigde Staten trekken zich terug uit meer dan zestig internationale organisaties en verdragen, terwijl China juist actief invloed probeert te verwerven in internationale voedsel- en handelsinstituties. Voedsel is al lang geen neutraal, efficiënt georganiseerd handelsproduct meer. Het wordt steeds vaker ingezet als geopolitiek instrument, of zelfs als wapen.
Tegelijk neemt de wereldwijde voedselzekerheid af, aangejaagd door conflict, politieke instabiliteit en klimaatverandering. De oorlog in Oekraïne liet zien hoe graan, kunstmest en energie expliciet onderdeel werden van het conflict en wereldwijd voedselprijzen en beschikbaarheid onder druk zetten. De wereld geopolitiseert, en voedsel speelt daarin een centrale rol.
Illusie
Als antwoord op die spanningen klinkt wereldwijd de roep om soevereiniteit en strategische autonomie, ook in Europa en Nederland. Maar op voedselgebied is zelfvoorziening een illusie. Terecht stelt de voormalige topman van chipmachinefabrikant ASML Peter Wennink dat strategische autonomie een lastige term is: het gaat erom hoe Nederland strategisch relevant blijft. Te vaak wordt die relevantie nog vertaald naar productievolume, technologische oplossingen en verdienvermogen. Maar Nederland kan de concurrentie met grootmachten op schaal niet winnen – niet economisch, niet ecologisch en zeker niet geopolitiek.
Strategische relevantie zit elders: in geloofwaardige relaties en het bieden van oplossingen voor voedselproblemen. Dat vraagt ook om zelfreflectie. Op Wereldvoedseldag (16 oktober) hield Namukolo Covic, een hooggeplaatste vertegenwoordiger van het International Livestock Research Institute, Nederland een
ongemakkelijke spiegel voor: ‘Didn’t you guys have the nitrogen crisis?’ Nederland wordt, kortom, internationaal steeds minder gezien als gidsland. Tegelijkertijd vergroot China zijn invloed door het aanbieden van concrete oplossingen en ‘groene politiek’. In een wereld waarin grootmachten elkaar beconcurreren, zijn landen die voorspelbaar leveren, gelijkwaardig samenwerken en investeren in duurzame transities van grote waarde. Juist daar ligt een rol voor Nederlandse voedseldiplomatie met ons omvangrijke kenniscomplex rondom voedsel.
Verkapt neokolonialisme
Onder het kabinet-Schoof werd fors bezuinigd op ontwikkelingssamenwerking en werd buitenlands beleid expliciet vernauwd tot het directe Nederlandse belang, opnieuw vanuit soevereiniteitsdenken. Eerlijkheidshalve heeft de klassieke donor-recipient-relatie vaak meer kwaad dan goed gedaan. De recentere economische invulling van voedselbuitenlandbeleid, met nadruk op Nederlandse belangen, vermijdt in ieder geval nog verkapt neokolonialisme.
Maar zij vergroot onze strategische relevantie niet, integendeel. Diplomatie en internationale samenwerking blijven essentieel, niet alleen uit moreel oogpunt, maar ook vanuit keiharde realpolitiek. Nederland kan niet opboksen tegen de economische macht van de VS en China. Wat wel kan, is ons profileren als gelijkwaardige partner in nieuwe vormen van samenwerking: ‘minilateralisme’ en ‘plurilateralisme’ ontstaan nu multilaterale mechanismen onder druk staan.
Dat vraagt om een strategische blik op diplomatie, ontwikkelingssamenwerking en handelsbeleid. Nederland beschikt over een hoogwaardig kennisnetwerk op voedselgebied, sterke instituties en een uitgebreid diplomatiek netwerk, waaronder het wereldwijde netwerk van landbouwraden. Die infrastructuur maakt gelijkwaardige partnerschappen mogelijk, gericht op veerkrachtige en duurzame voedselsystemen die aansluiten bij regionale waarden en markten. Dat levert ecologische én geopolitieke weerbaarheid op.
Betrouwbare voedselpartner
Internationale geloofwaardigheid vereist ook binnenlandse verbeteringen. Wie zich profileert als betrouwbare voedselpartner, moet nadenken over de eigen landbouw en voedselvoorziening. Dat betekent het verminderen van afhankelijkheid van geïmporteerde grondstoffen zoals veevoer en kunstmest, die Nederland kwetsbaar maken voor geopolitieke schokken en vervuilen. Juist verduurzaming en de eiwittransitie bieden hier kansen.
In een wereld waarin geopolitieke onzekerheid toeneemt en voedsel steeds vaker als machtsmiddel wordt ingezet, kan Nederland strategisch relevant blijven. Niet door te concurreren op schaal, maar door te investeren in voedseldiplomatie, duurzame
systemen en gelijkwaardige samenwerking. Dat is geen idealisme, maar strategische noodzaak.
